Akkrum Mausoleum

Adresgegevens: Ljouwerterdyk bij 6-48, 8491 GC/GD  Akkrum

Kadastrale gegevens: gemeente Akkrum, sectie A, nummer 3239 deels 

Monumentennummer: 514873

Omschrijving Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed:

Inleiding

Het MAUSOLEUM voor de stichter van Coopersburg en zijn vrouw staat ten noordoosten van het hoofdgebouw en is ontworpen in Art Nouveau-stijldoor de beeldhouwer Johann Hinrich Schröder in 1906. Het bouwwerk is rechts bovenaan in de voorgevel gesigneerd en gedateerd: Joh. H. Schröder beeldh. / Amsterdam = 1906 //. De beeldhouwer was afkomstig uit Duitsland woonde voor korte tijd in Leeuwarden. Ten tijde van de opdracht had hij zich in in Amsterdam gevestigd. De bijzetting van de stichter (overleden 31 december 1904) en zijn vrouw (overleden 31 december 1878) vond plaats in 1907. De opdrachtgever Frank Cooper (Folkert Kuipers) kende de beeldhouwer door een andere opdracht. Cooper was lid van het herdenkingscomité 'dr. Eeltsje Halbertsma', dat aan Schröder de opdracht voor een monument aan de Stationsweg te Grou had opgedragen. Frank Cooper was aanwezig bij de onthulling van het beeld in 1904.


Omschrijving

Het mausoleum heeft een vierkant grondplan. Het bestaat uit één bouwlaag met hoeklisenen en een ingesnoerde spiegelkoepel; de gevels zijn opgetrokken in zandsteen die rijkelijk versierd zijn door beeldhouwwerk. Met uitzondering van de voorgevel, die een geveltop heeft met een granieten waterlijst, is de geleding van de gevels identiek: een gebonchardeerde granieten plint met geprofileerde lijst, de gevelwand met een cordonlijst waarin een dubbele banderol is verwerkt en een granieten gevelafsluiting met palmetten als kantelen. De hoeklisenen hebben onder de cordonlijst een gebeeldhouwd reliëf van een lap stof, opgehangen aan knoppen, waaraan een krans met linten is opgehangen; boven de cordonlijst reliëf met de afbeelding van een rietstengel.

De vier hoeklisenen dragen Corinthische kapitelen van graniet, die dienen als voetstuk voor sculpturen van putti met dovende fakkels, geheven toorts, en een nestje met vogels en bloemen in hun handen.

In de noord- en zuidgevel van het mausoleum zijn gedenkstenen van gepolijst graniet geplaatst met "woorden van den stichter bij de opening van Coopersburg". In de oostgevel een rond raam met glas-in-lood. De koepel wordt bekroond door een urn met een draperie.

In de voorgevel de toegang met een tweetreeds, granieten stoep en een opgeklampte deur met gesmeed hang- en sluitwerk. De deur is gevat in een gepolijst granieten kozijn; de bovenzijde van de toegang heeft een getoogde afsluiting met gebeeldhouwde bloem- en bladmotieven. Aan beide zijden van de deur, bijna vrijstaande sculpturen van jonge vrouwen in klassieke gewaden met een lauwerkrans in de hand. Zij kijken naar het opschrift boven de deur: AAN ONZE OUDERS FRANK H. COOPER EN ANTOINETTA GERARDINA DE GRAAFF. Het beeldhouwwerk rond de toegang heeft een eenvoudige omlijsting. In de geveltop een gevleugelde putto die ingelijste medaillons vasthoudt met daar in de portretten in driekwartsprofiel van A.G. de Graaff en F.H. Cooper. De omlijsting van F.H. Cooper ligt op een palmtak en een eikentak; de omlijsting van A.G. de Graaff ligt op een palmtak en een rozentak. In de topgevel een klimmend boogfries; de top bekroond met acanthusbladen en bloemen.

Het INTERIEUR van het mausoleum wordt slechts verlicht door een rond venster met gekleurd glas-in-lood waarin een lauwerkrans en het monogram CdG (Cooper-de Graaff) zijn verwerkt. De voorlijst van de ingesnoerde spiegelkoepel rust op vier granieten zuilen en dobbelsteenkapitelen met gebeeldhouwde draperiën. Op de terrazzovloer, met een randstook waarin een meandermotief is verwerkt, staan twee marmeren tombes. Aan de korte kant daarvan het opschrift: HIER RUSTEN / FOLKERT HARMENS KUIPERS WILLEMZOON, / ZICH LATER NOEMENDE FRANK H. COOPER. / GEB. AKKRUM 23 OCT 1843, OVERL. NEW-YORK 31 DEC. 1904 / EN ZIJNE VROUW ANTOINETTA GERARDINA DE GRAAFF. / GEB. MIDDELBURG 8 NOV 1846, OVERL. TOLEDO OHIO 31 DEC 1878. //


Waardering

Het mausoleum, ontworpen in Art Nouveau-stijl door de beeldhouwer Johann Hinrich Schröder in 1906, is van algemeen cultuurhistorisch en architectonisch belang:

- vanwege de herinneringswaarde aan de stichter van Coopersburg,

- vanwege het bijzondere belang van het object voor het oeuvre van de beeldhouwer Johann Hinrich Schröder,

- vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteit van het ontwerp,

- vanwege het bijzondere materiaalgebruik, ornamentiek en beeldhouwwerk,

- vanwege de bijzondere betekenis van het object als essentieel onderdeel van het complex Coopersburg,

- vanwege de zeer hoge mate van architectonische gaafheid van het object, zowel van het exterieur als het interieur,

- vanwege de hoge mate van typologische zeldzaamheid op nationaal niveau.

 
 
 

Akkrum Coopersburg

Inleiding

Het BEJAARDENTEHUIS Coopersburg in Overgangsarchitectuur werd in 1900 gebouwd door de fa. W.D. Booijenga uit Ternaard, naar ontwerp van de gemeentearchitect Folkert Hoekstra uit Akkrum. De opdrachtgever was Folkert H. Kuipers, geboren in 1843 te Akkrum, geëmigreerd naar Amerika in 1866 en daar genaturaliseerd onder de naam Frank Cooper. Op 18 juli 1900 werd de eerste steen gelegd en op 8 mei 1901 vond de feestelijke opening plaats.

De woningen zijn in 1980 overgedragen aan de woningstichting en gerenoveerd, waarbij de plattegrond van de woningen ingrijpend is gewijzigd; de achteraanbouwen met één privaat per twee woningen en een portaal zijn gesloopt, de schoorstenen in de zakgoot tussen de topgevels en op het achterschild zijn vervangen door pijpen op het achterschild. Het interieur van de woningen wordt niet van rijkswege beschermd. Een uitzondering daarop vormt een deel van het verhoogde middengedeelte van Coopersburg met ondermeer de voormalige bestuurskamer van de regenten. Achter de woningen staan houten bergingen, deze vallen buiten bescherming van rijkswege. De historische achtergrond en de visuele gaafheid van het langgerekte (ruim 100 meter) en symmetrisch ingedeelde object op zichzelf, als wel in relatie tot de overige onderdelen van het complex, rechtvaardigen de bescherming van rijkswege.


Omschrijving

Het tehuis Coopersburg heeft een symmetrische indeling: het bestaat uit een verhoogd middendeel, waarvan de eerste bouwlaag voorheen twee woningen omvatte, met aan weerszijden een vleugel met elk 10 erkerwoningen. De woningen zijn telkens in spiegelbeeld geschakeld met uitzondering van de woningen aan de beide uiteinden; de voormalige woningen in het middendeel wijken in de plattegrondstructuur niet af van de ritmiek en maatvoering van de geschakelde woningen in de vleugels.

De gevels zijn opgetrokken in bruine baksteen, verlevendigd met tectonische versieringen met kunststenen banden en aanzetstenen. De voorgevel heeft een beraapte plint. De blinde kopse noordgevel is met portland beraapt; de blinde kopse zuidgevel is opgetrokken in staand verband met gesneden voeg en verlevendigd met vijf banden in kunststeen. De achtergevel is verlevendigd met drie banden en in elke woning een achterdeur en een H-venster; de beraapte vlakken in de achtergevel markeren de plek van de vroegere aanbouwen. De dakschilden van de woningen zijn belegd met zwart geglazuurde, gegolfde Friese pannen.

De woningen bestaan uit één bouwlaag met een samengesteld zadeldak: de topgevels staan haaks op de doorlopende nok. Aan de voorgevel bevindt zich per woning een driezijdige erker met verticaal verdeelde vensters en zinken dak onder een geringe helling, een drietreeds, betonnen stoep met hemelwaterdoorvoer, een voordeur met bovenlicht en in de topgevel een raam. De topgevels hebben een gevelafsluiting bekroond door een eenvoudig versierd toppenant met een smeedijzeren versiering.

Het middengedeelte van het gebouw heeft de oppervlakte van twee woningen en bestaat uit twee bouwlagen gescheiden door een cordonlijst; de erkers zijn over beide bouwlagen doorgetrokken, waartussen het middengedeelte met een derde bouwlaag uittorent. Het is een nagenoeg vierkant volume; op de begane grond waren oorspronkelijk twee woningen en op de verdieping twee regentenkamers. Erkers en torentje hebben een gevellijst. Het torentje heeft een vierzijdige spits; het middendeel een samengesteld afgeknot schilddak. De erkers hebben een overstek op versierde gootklampen aan het fries. De spits, het voorschild en de zijschilden van het middendeel zijn belegd met Lucas IJsbrandspannen; het achterschild is belegd met zwart geglazuurde, gegolfde Friese pannen. De nokhoeken worden bekroond met sierlijke zinken pirons; die op de toren heeft een windwijzer in de vorm van een pijl. De toegang heeft een driezijdige trap met betegeld bordes onder een luifel, gestut door Dorische zuilen in terrazzo-werk; de porte brisée heeft deuren met glaspanelen. Boven het raam op de verdieping een gedenksteen met het Friese opschrift: STIFTE TA OANTINKEN / OAN US HEIT EN MEM / WILLEM HARMENS KUIPERS / EN YTSJE ROMMERTS DE VRIES / FEN HJAR SOAN / F.H. COOPER U.S.A. / 8E FEN MAEIMOANNE 1901 //. In de gedenksteen ook beeldhouwwerk in laagreliëf van vogels op een tak. Boven de porte brisée in de derde bouwlaag een getoogd opschrift in kunststeen in hoogreliëf: COOPERSBURG / A. D. 1900 //.

Tot de waardevolle INTERIEURONDERDELEN van het middengedeelte behoren ondermeer: de vestibule, de gang met trap naar de regentenkamer; de regentenkamer. In de regentenkamer is een zwart marmeren schoorsteenmantel met een gesneden schoorsteenstuk, waarop een naamlijst van de regenten; in de bekroning van het schoorsteenstuk vuurpotten en een sprekend wapen: de kuiper. Aan de wand hangen pasteltekeningen van de portretten van de ouders van de stichter en een marmeren buste van de stichter, vervaardigd door de Italiaanse beeldhouwer Branconi.


Waardering

Het bejaardentehuis Coopersburg in Overgangsarchitectuur uit 1900, gebouwd naar ontwerp van de gemeentearchitect Folkert Hoekstra uit Akkrum is van algemeen cultuurhistorisch belang:

- als karakteristiek voorbeeld van een typologische ontwikkeling, namelijk collectief wonen in individuele kamerwoningen in plaats van in een groepshuisvesting voor bejaarden,

- vanwege het bijzondere belang voor het oeuvre van de gemeente-architect Folkert Hoekstra,

- vanwege de bijzondere situering aan de toegangsweg tot Akkrum,

- vanwege de bijzondere betekenis van het object voor het aanzien van het dorp Akkrum,

- vanwege de redelijke mate van architectonische gaafheid,

- als hoofdonderdeel van het totale complex,

- vanwege de structurele en visuele gaafheid van het complex in relatie tot de dorpse omgeving.